STEUN DIE MET DE INTERNE MARKT VERENIGBAAR IS

Beoordeling van de verenigbaarheid

Gronden op basis waarvan de Europese Commissie kan vaststellen of steunmaatregel met de interne markt verenigbaar zijn staan in artikel 107 leden 2 en 3 VWEU.

Voor de Nederlandse staatssteunpraktijk zijn met name de gronden genoemd in artikel 107 lid 3 sub c en d van belang: als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd:

  • (sub c) steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad;
  • (sub d) steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, wanneer door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Unie niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad.

Omdat artikel 107 lid 3 VWEU spreekt over “kunnen” beschikt de Europese Commissie over beleidsvrijheid. De wijze waarop de Europese Commissie artikel 107 lid 3 VWEU toepast, is grotendeels vastgelegd in kaderregelingen, richtsnoeren en mededelingen.

Voorbeelden van dergelijke kaderregelingen en richtsnoeren zijn:

Bovenstaande lijst is niet uitputtend!

Rechtstreekse toetsing aan artikel 107 lid 3 VWEU

Het feit dat er voor een bepaalde maatregel geen  kaderregeling, richtsnoer of mededeling is, wil niet zeggen dat de Europese Commissie de betreffende maatregel met de interne markt onverenigbaar zal achten. De Europese Commissie kan ook rechtstreeks aan artikel 107 VWEU toetsen. Bij dit onderzoek neemt de Commissie (i) in aanmerking of de steunmaatregel gericht is op een duidelijk omschreven EU-doelstelling en (ii) of de steunmaatregel in vergelijking met andere beleidsinstrumenten een geschikt instrument is om het probleem op te lossen. De steun moet in dit licht (iii) doelgericht zijn en noodzakelijk om het beoogde doel te bereiken. Voorts moet de steun (iv) evenredig zijn met het beoogde doel en (v) de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. [Commissie EU 5 oktober 2011 (Grondverkoop en woningbouw Apeldoorn) in staatssteunzaak SA.31877, randnr. 46]

Rol Commissie versus de nationale rechterlijke instanties

Alleen de Commissie mag, uiteraard gecontroleerd door het Hof van Justitie, beoordelen of een meldingsplichtige steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt. [HvJ EG 21 november 1991 (FNCE) zaak C-354/90, ro 9 en 14] De nationale rechterlijke instanties dienen slechts  de rechten van de justitiabelen te beschermen tegenover een eventuele miskenning, door de nationale autoriteiten, van de standstill-verplichting van artikel 108 lid 3 VWEU. In dit kader moeten de nationale rechterlijke instanties de justitiabelen die zich op een dergelijke miskenning kunnen beroepen, te waarborgen dat daaruit, overeenkomstig hun nationale recht, alle consequenties zullen worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen, als wat betreft de terugvordering van in strijd met deze bepaling of eventuele voorlopige maatregelen verleende financiële steun. [HvJ EG 21 november 1991 (FNCE) zaak C-354/90 ro 12]

Het voorgaande laat onverlet dat de nationale rechterlijke instanties wel kunnen vaststellen of een maatregel is aan te merken als een meldingsplichtige steunmaatregel. De nationale rechterlijke instanties moeten de justitiabelen namelijk beschermen tegen een eventuele schending van de standstill verplichting van artikel 108 lid 3 VWEU. Ten einde vast te stellen dat de standstill-verplichting is geschonden, moet de nationale rechterlijke instantie dus eerst vaststellen of er sprake is van een meldingsplichtige steunmaatregel. Deze beoordeling is niet exclusief voorbehouden aan de Commissie. Het begrip staatssteun is immers een juridisch begrip dat op basis van objectieve elementen moet worden uitgelegd. [HvJ EG 16 mei 2000 (Ladbroke Racing) zaak C-83/98, ro 25]

Alleen wanneer de Commissie een formeel onderzoek start, zijn de nationale rechterlijke instanties aan het voorlopige oordeel van de Commissie gebonden. Het starten van een formele onderzoek betekent immers dat de Commissie een maatregel voorlopig als steunmaatregel aanmerkt. De kans bestaat dat justitiabelen  de nationale rechterlijke instantie om bescherming vragen tegen deze maatregel. Deze bescherming mag niet worden ontzegt, als de nationale rechterlijke instantie tot de conclusie komt dat er van staatssteun geen sprake is. [HvJ EU 21 november 2013 (Deutsche Lufthansa) zaak C-284/12 randr 32]

Verder lezen: